Beschrijving brandstof- en emissiesystemen

Elektronisch regelsysteem


De functies van de brandstof- en emissieregeling worden beheerd door de motorregeleenheid (ECM) op voertuigen met handgeschakelde versnellingsbak of de aandrijflijnregeleenheid (PCM) bij voertuigen met automatische transmissie.

Fail-safe-functie

Als er een storing optreedt in een signaal van een sensor, negeert de ECM/PCM dat signaal en gaat uit van een voorgeprogrammeerde waarde voor die sensor waardoor de motor gewoon kan blijven draaien.

Back-upfunctie

Als er een storing in de ECM/PCM optreedt, worden de injectoren aangestuurd door een back-up circuit dat onafhankelijk van het systeem werkt en minimale rijfuncties mogelijk maakt.

Zelfdiagnose

Als zich in een sensorsignaal een afwijking voordoet, levert de ECM/PCM massa voor het defectsignaleringslampje en wordt de storingcode (DTC) opgeslagen in een wisbaar geheugen. Als de contactschakelaar de eerste keer AAN (II) wordt gezet, verbindt de ECM/PCM het defectsignaleringslampje gedurende twee seconden met de massa om de staat van het defectsignaleringslampje te controleren.

Foutopsporing met dubbele controle

Om foute indicaties te voorkomen wordt de 'foutopsporing met dubbele controle' gebruikt voor enkele zelfdiagnosefuncties. Als zich iets abnormaals voordoet, slaat de ECM/PCM dit op in zijn geheugen. Als dezelfde afwijking opnieuw optreedt nadat de contactschakelaar UIT en AAN (II) is gezet, informeert de ECM de bestuurder doordat het defectsignaleringslampje aan gaat.

ECM/PCM-gegevens


U kunt gegevens uit de ECM/PCM lezen door het scanapparaat of de Honda PGM-tester met de datalinkstekker (DLC) te verbinden. De onderdelen in de onderstaande tabel voldoen aan de door SAE voorgeschreven procedure. De Honda PGM-tester kan nog meer gegevens aflezen die de SAE adviseert, zodat u mogelijk met deze gegevens de oorzaken van tijdelijke problemen kunt opsporen.

OPMERKING:

Gegevens Omschrijving Bedrijfswaarde Statusgegevens 
Storingscode (DTC) Als de ECM/PCM een storing waarneemt, slaat deze de storing op als een code die bestaat uit één letter en vier cijfers. Afhankelijk van het probleem wordt een SAE-code (P0xxx) of een Honda-code (P1xxx) aan de tester doorgegeven. Als er geen storing wordt gesignaleerd, is er geen code te zien JA 
Motortoerental De ECM/PCM berekent het motortoerental uit de signalen die door de krukasstandsensor (CKP) worden verstuurd. Deze gegevens worden gebruikt voor het bepalen van het tijdstip en de hoeveelheid te injecteren brandstof. Bijna hetzelfde als aanduiding van de toerenteller
Bij stationair toerental:
L12A1 motor 700±50 omw/min (min-1)
L13A1, L13A2 motor:
M/T: 650±50 omw/min (min-1)
L13A1, L13A2 motor: M/T: 650±50 omw/min (min-1)
A/T: 750±50 omw/min (min-1
JA 
Voertuigsnelheid De ECM/PCM zet de pulssignalen van de voertuigsnelheidssensor (VSS-sensor) om. Bijna hetzelfde als aanduiding van de snelheidsmeter JA 
Absolute luchtdruk in inlaatspruitstuk (MAP) De absolute luchtdruk die door motorbelasting en toerental wordt veroorzaakt in het inlaatspruitstuk. Als motor niet loopt: Bijna hetzelfde als de buitenluchtdruk
Bij stationair toerental: ongeveer 20-34 kPa (150-260 mmHg), 0,7-1,1 V 
JA 
Koelvloeistoftemperatuur (ECT) De ECT-sensor zet de koelvloeistoftemperatuur om in een spanningsniveau en geeft dit door aan de ECM/PCM. De sensor is een thermistor waarvan de interne weerstand mee verandert met veranderingen in de temperatuur van de koelvloeistof. De ECM/PCM gebruikt de spanningssignalen van de ECT-sensor om te bepalen hoeveel brandstof er moet worden ingespoten. Bij een koude motor: zelfde als omgevingstemperatuur en IAT
Met opgewarmde motor: ongeveer 80-100°C, 0,5-0,8 V 
JA 
Primaire verwarmde zuurstofsensor (primaire HO2S) (sensor 1), secundaire verwarmde zuurstofsensor (secundaire HO2S) (Sensor 2) De HO2S stelt het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen vast en stuurt spanningssignalen naar de ECM. De ECM/PCM regelt de lucht/brandstofverhouding op basis van deze signalen. Als het zuurstofgehalte hoog is (dat wil zeggen als de verhouding armer is dan de stoichiometrische verhouding), is het spanningssignaal lager. Als het zuurstofgehalte laag is (dat wil zeggen als de verhouding rijker is dan de stoichiometrische verhouding), is het spanningssignaal hoger. 0,0-1,25 V
Bij stationair toerental:
ongeveer 0,1-0,9 V 
NEE 

Gegevens ECM/PCM (vervolg)


Gegevens Omschrijving Bedrijfswaarde Statusgegevens 
Brandstofsysteemstatus Brandstofsysteemstatus wordt aangeduid met ''open'' of ''gesloten''.
Gesloten: Op basis van de uitvoer van de A/F-sensor en de HO2S, bepaalt de ECM/PCM de lucht/brandstofverhouding en regelt de hoeveelheid brandstof die wordt ingespoten.
Open: de ECM/PCM negeert de uitvoer van de A/F-sensor en de HO2S en gaat af op signalen van de sensoren voor de stand van de gasklep (TP), de absolute druk in het inlaatspruitstuk (MAP), de temperatuur van de inlaatlucht (IAT), de atmosferische druk (BARO) en de koelvloeistoftemperatuur (ECT) sensors om de hoeveelheid brandstof te regelen die wordt ingespoten. 
Bij stationair toerental: gesloten JA 
Kortetermijnbrandstofafstelling De correctiecoëfficiënt van de lucht/brandstofverhouding voor correctie van de hoeveelheid te injecteren brandstof als de brandstofsysteemstatus is 'gesloten'. Als de verhouding armer is dan de stoichiometrische verhouding, verhoogt de ECM/PCM geleidelijk de brandstofafstelling op korte termijn en de hoeveelheid te injecteren brandstof. De lucht/brandstofverhouding wordt geleidelijk rijker, waardoor het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen afneemt. Als gevolg daarvan wordt de kortetermijnbrandstofafstelling verlaagd en vermindert de ECM/PCM de hoeveelheid ingespoten brandstof.
Deze cyclus houdt de lucht/brandstofverhouding dichtbij de stoichiometrische verhouding als het brandstofsysteemstatus gesloten is. 
0,70-1,47 JA 
Langetermijnbrandstofafstelling De langetermijnbrandstofafstelling wordt berekend op basis van de kortetermijnbrandstofafstelling en geeft de veranderingen aan die zich voordoen in het brandstoftoevoersysteem over een lange periode.
Als de langetermijnbrandstofafstelling groter is dan 1,00, moet de hoeveelheid te injecteren brandstof worden verhoogd. Als de waarde lager is dan 1,00, moet de hoeveelheid te injecteren brandstof worden verlaagd. 
0,80-1,20 JA 
Inlaatluchttemperatuur (IAT) De IAT-sensor vertaalt de temperatuur van de inlaatlucht naar een spanningsniveau en geeft dit door aan de ECM/PCM. Als de inlaatluchttemperatuur laag is, neemt de interne weerstand van de sensor toe en is het spanningssignaal hoger. Bij koude motor:
Hetzelfde als omgevingstemperatuur en ECT 
JA 
Gasklepstand Op basis van de positie van het gaspedaal wordt de openingshoek van de gasklep aangegeven. Bij stationair toerental:
ongeveer 10%, 0,5 V 
JA 
Ontstekingsafstelling Ontstekingstijdstip is de voorontstekinghoek ingesteld door de ECM/PCM. De ECM/PCM past het ontstekingstijdstip aan de rijomstandigheden aan. Bij stationair toerental: 8° ± 5°
Voor bovenste dode punt (BDP) wanneer de leiding van het SCS-servicesignaal met de Honda PGM-tester wordt overbrugd. 
NEE 
Motorbelasting (CLV) CLV is de motorbelasting berekent uit de MAP-gegevens. Bij stationair toerental:
12-34%
Bij 2.500 omw/min (min-1) onbelast:
15-25% 
JA 

Ingangs- en uitgangssignalen ECM/PCM bij stekkerverbinding A (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
BLK/WHT PO2SHTC (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE ZUURSTOFSENSOR) VERWARMINGSREGELING) Regelt primaire HO2S verwarming Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding 
YEL/BLK IPG2 (STROOMBRON) Stroombron voor het ECM/PCM-circuit Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
YEL/BLK IPG1 (STROOMBRON) Stroombron voor het ECM/PCM-circuit Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
BLK PG2 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor het ECM-/PCM-circuit. Altijd minder dan 1,0 V 
BLK PG1 (MASSA VOEDINGSCIRCUIT) Massa voor het ECM-/PCM-circuit. Altijd minder dan 1,0 V 
WHT PHO2S (PRIMAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (PRIMAIRE HO2S) SENSOR 1) Detecteert signaal van primaire HO2S sensor (sensor 1). Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: ongeveer 0,6 V
Met gasklep snel gesloten: minder dan 0,4 V 
BLU CKP-SENSOR (KRUKASPOSITIE) Detecteert signaal van CKP-sensor Met draaiende motor: pulsen 
RED/BLU KS (PINGELSENSOR) Spoort signaal van pingelsensor op. Met pingelende motor: pulserend
Met de contactschakelaar AAN (II): ongeveer 0 V 
10 GRN/BLK SG2 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
11 GRN/WHT SG1 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
12 BLK/BLU IACV (LUCHTREGELKLEP BIJ STATIONAIR TOERENTAL) Stuurt IAC-klep aan Met draaiende motor: regeling volgens belastingsverhouding 
13 WHT/BLK EGRP (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEPSTANDSENSOR) Detecteert EGR-klepstandsensorsignaal Met draaiende motor: 1,2 V-2,0 V (afhankelijk van de lichthoogte van de EGR-klep) 
15 RED/BLK TPS (GASKLEPSTAND (TP) SENSOR) Spoort signaal van TP-sensor op Bij volledig geopende gasklep: ongeveer 4,8 V
Met gasklep volledig gesloten: ongeveer 0,5 V 

Ingangs- en uitgangssignalen ECM/PCM bij stekkerverbinding A (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
16 WHT/BLK IGPLS3E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 3) Stuurt achterste bobine nr. 3 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met draaiende motor: pulsen 
18*1 BLU/WHT VSS (VEHICLE SPEED SENSOR (VSS)) (voertuigsnelheidssensor) Detecteert VSS-signaal Met contactschakelaar op AAN (II) en ronddraaiende voorwielen: cycli 0 V - ongeveer 5 V of accuspanning 
18*2 WHT/BLU VABS (VOERTUIGSNELHEIDSIGNAAL VANAF ANTIBLOKKEERSYSTEEM) Ingang voertuigsnelheid vanaf ABS-regeleenehid Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen 
19 RED/GRN SENSOR VOOR ABSOLUTE LUCHTDRUK IN INLAATSPRUITSTUK (MAP) Detecteert MAP-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 3 V
Bij stationair: ongeveer 1,0 V (afhankelijk van het motortoerental) 
20 YEL/GRN VCC2 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met de contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
21 YEL/RED VCC1 (SENSORSPANNING) Levert sensorspanning Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 5 V
Met de contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
23 BRN/BLK LG2 (LOGISCHE MASSA) Massa voor het ECM-/PCM-circuit. Altijd minder dan 1,0 V 
24 BRN/BLK LG1 (LOGISCHE MASSA) Massa voor het ECM-/PCM-circuit. Altijd minder dan 1,0 V 
26 GRN TDC (BOVENSTE-DODE-PUNT (BDP) SENSOR) Detecteert DTC-sensor Met draaiende motor: pulsen 
27 WHT/BLU IGPLS4I (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 4) Regelt voorste bobine nr. 4 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
met draaiende motor: pulsen 
28 WHT/BLK IGPLS3I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 3) Regelt voorste bobine nr. 3 
29 WHT/GRN IGPLS2I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 2) Regelt voorste bobine nr. 2 
30 WHT IGPLS1I (PULS VOORSTE BOBINE NR. 1) Regelt voorste bobine nr. 1 

*1: M/T
*2: A/T

Ingangs- en uitgangssignalen ECM/PCM bij stekker B (24-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
WHT/BLU IGPLS1E (PULS ACHTERSTE BOBINE NR. 1) Stuurt achterste bobine nr. 1 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
met draaiende motor: pulsen 
YEL INJ4 (BRANDSTOFINJECTOR Nr. 4) Stuurt injector nr. 4 aan Met contactschakelaar op AAN (II): batterijspanning
Bij stationair toerental: regeling volgens belastingsverhouding 
BLU INJ3 (INJECTOR Nr. 3) Stuurt injector nr. 3 aan 
RED INJ2 (INJECTOR Nr. 2) Stuurt injector nr. 2 aan 
BRN INJ1 (INJECTOR Nr. 1) Stuurt injector nr. 1 aan 
GRN FANC (KOELVENTILATORREGELING) Stuurt relais van koelventilator Met koelventilator aan: ongeveer 0 V
Met radiateurventilator gestopt: accuspanning 
   7*2 GRN/WHT HLCLS+ (CVT POELIEDRUK REGELWAARDE +KANT) Stuurt CVT poeliedruk regelwaarde aan Met contactschakelaar op AAN (II): pulserend signaal 
RED/WHT ECT (TEMPERATUURSENSOR KOELVLOEISTOF) Detecteert ECT-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V
(afhankelijk van motorkoelvloeistoftemperatuur) 
10 WHT/GRN IGPLS2E (Nr. 2 PULS ACHTERSTE BOBINE) Stuurt achterste bobine nr. 2 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
met draaiende motor: pulsen 
13 WHT/RED ALTF (FR-SIGNAAL DYNAMO) Detecteert FR-signaal dynamo Met draaiende motor:ongeveer 0 V-5 V
(afhankelijk van elektrische belasting) 
14 PNK EGR (UITLAATGASRECIRCULATIE (EGR) KLEP) Regelt EGR-klep Bij werkende EGR: volgens belastingsverhouding
Als de EGR niet werkt: ongeveer 0 V 
   16*2 YEL SCLS+ (REGELKLEP VOOR WEGRIJKOPPELINGSDRUK VAN CVT + KANT Regelklep voor wegrijkoppelingsdruk van CVT Met contactschakelaar op AAN (II): pulserend signaal 
17 RED/YEL IAT (TEMPERATUURSENSOR INLAATLUCHT) Detecteert IAT-sensorsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V
(afhankelijk van inlaatluchttemperatuur) 
   18*1 WHT/GRN ALTC (REGELING DYNAMO) Stuurt regelsignaal naar dynamo Met draaiende motor: ongeveer 0-5 V
(afhankelijk van elektrische belasting) 
   21*1 RED/YEL PCS (BRANDSTOFTANK ONTLUCHTINGSKLEP VOOR BENZINEDAMPEMISSIE (EVAP)) Stuurt EVAP-brandstoftank afzuigregelklep aan Bij draaiende motor, motorkoelvloeistof lager dan 70°C: ongeveer 0 V
Bij draaiende motor, motorkoelvloeistof hoger dan 70°C: regeling volgens belastingsverhouding 
22 WHT IGPLS4E (Nr. 4 PULS ACHTERSTE BOBINE) Stuurt achterste bobine nr. 4 Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
met draaiende motor: pulsen 
   24*2 BLU/WHT SHLS+ (REGELKLEP VOOR SNELHEIDSVERANDERING VAN DE CVT +KANT) Stuurt regelklep voor snelheidsverandering van de CVT aan Met contactschakelaar op AAN (II): regeling volgens belastingsverhouding 

*1: M/T
*2: A/T

Ingangs- en uitgangsignalen PCM bij stekker C (22-pins)*2

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
PNK/BLK HLCLS - (CVT POELIEDRUKREGELKLEP - ZIJKANT Massa voor CVT poeliedrukregelklep  
GRN/BLK INHSOL (REGELING SOLENOIDEBLOKKERING) Stuurt blokkeringssolenoïde aan Met blokkeringssolenoïde AAN
Met blokkeringssolenoïde UIT 
RED/BLU NDR (SNELHEIDSSENSOR VAN AANDRIJFPOELIE CVT) Detecteert signaal snelheidssensor aandrijfpoelie CVT. In andere stand dan Parkeer of Vrij: pulsen 
PNK/BLU SCLS - (CVT DRUKREGELKLEP VAN STARTKOPPELING ZIJDE B) Massa voor CVT drukregelklep van startkoppeling  
BLU/WHT ATPS (STAND S VAN TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) Detecteert signaal stand S van transmissiebereikschakelaar In stand S: ongeveer 0 V
In iedere andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning 
10 WHT ATPR (TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR STAND R) Detecteert signaal stand R van transmissiebereikschakelaar In stand R: ongeveer 0 V
In iedere andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning 
11 BLU ATPL (STAND L VAN TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) Detecteert signaal stand L van transmissiebereikschakelaar In stand L: ongeveer 0 V
In iedere andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning 
12 LT GRN ATPNP (TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR STAND VRIJ/PARKEREN) Detecteert signaal stand Vrij/Parkeren van transmissiebereikschakelaar In Parkeren of Vrij: ongeveer 0 V
In iedere andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning 
15 WHT NDN (SNELHEIDSSENSOR VAN CVT AANGEDREVEN POELIE) Detecteert signaal snelheidssensor aangedreven poelie CVT. In andere stand dan Parkeer of Vrij: pulsen 
16 GRN/YEL SHLS- (CVT TOERENTALREGELING KLEPZIJDE) Massa voor CVT snelheidswijzigingregelklep Met contactschakelaar op AAN (II): regeling volgens belastingsverhouding 
20 PNK ATPD (STAND D TRANSMISSIEBEREIKSCHAKELAAR) Detecteert signaal stand D van transmissiebereikschakelaar In stand D: ongeveer 0 V
In iedere andere stand: ongeveer 5 V of accuspanning 
22 WHT/RED VEL1 (CVT SNELHEIDSSENSOR) Detecteert CVT snelheidssensor Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen
Als voertuig stilstaat: ongeveer 0 V 

*1: M/T
*2: A/T

Ingangs- en uitgangssignalen ECM/PCM op stekker E (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
GRN/YEL IMO FPR (BRANDSTOFPOMPRELAIS STARTBLOKKERING) Stuurt PGM-FI-hoofdrelais 2. 0 V gedurende twee seconden nadat contactschakelaar AAN (II) is gezet, daarna accuspanning. 
   2*3 WHT/RED SHO2S (SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S, SENSOR 2) Detecteert signaal van secundaire HO2S sensor (sensor 2). Met gasklep volledig geopend vanuit stationair toerental met bedrijfswarme motor: meer dan 0,6 V
Met gasklep snel gesloten: minder dan 0,4 V 
BRN/YEL LG3 (LOGISCHE MASSA) Massa voor het ECM/PCM-regelcircuit Altijd minder dan 1,0 V 
PNK SG3 (SENSORMASSA) Sensormassa Altijd minder dan 1,0 V 
GRN/WHT FUP (BRANDSTOFINJECTIESIGNAAL) Zend brandstofinjectiesignaal naar instrumenteneenheid Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen 
   6*3 BLK/WHT SO2SHTC (SECUNDAIRE VERWARMDE ZUURSTOFSENSOR (SECUNDAIRE HO2S) VERWARMINGSREGELING) Stuurt secundaire HO2S verwarming aan Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met draaiende motor op bedrijfstemperatuur: regeling volgens belastingsverhouding 
RED/YEL MRLY (PGM-FI-HOOFDRELAIS) Stuurt PGM-FI hoofdrelais 1 Voedingspanning voor het DTC-geheugen aan Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0 V
Met de contactschakelaar UIT: accuspanning 
YEL/BLK IG1 (CONTACTSIGNAAL) Detecteert contactsignaal Met contactschakelaar op AAN (II): accuspanning
Met contactschakelaar UIT: ongeveer 0 V 
   11*2 PNK DIND (D CONTROLELAMPJE) Stuurt D controlelampje aan Met controlelampje D AAN: ongeveer 10 V
Met controlelampje D UIT: 0 V 
12 BLU TAC Detecteert signaal verdampersensor Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van temperatuur verdamper) 
15 GRN/RED ELD (ELEKTRISCHE BELASTINGDETECTOR) Detecteert ELD-signaal Met contactschakelaar op AAN (II): ongeveer 0,1-4,8 V (afhankelijk van elektrische belasting) 

*1: M/T
*2: A/T
*3: KG-, KE- en KR-modellen

Ingangs- en uitgangssignalen ECM/PCM op stekker E (31-pins)

 

OPMERKING: De standaardaccuspanning bedraagt 12 V.

Aansluiting nummer Draadkleur Naam van aansluiting Omschrijving Signaal 
18 RED ACC (RELAIS AIRCOKOPPELING) Stuurt relais van aircokoppeling aan Met compressor AAN: ongeveer 0 V
Met compressor UIT: accuspanning 
22 WHT/BLK BKSW (REMPEDAALSTANDSCHAKELAAR) Detecteert signaal van rempedaalstandschakelaar Met rempedaal los: ongeveer 0 V
Met rempedaal ingedrukt: accuspanning 
23 RED/WHT K-LIJN Verstuurt en ontvangt signaal van scanapparaat. Met contactschakelaar op AAN (II): pulsen of accuspanning 
24 GRN MTRTW Verstuurt signaal motorkoelvloeistoftemperatuur Met contactschakelaar op AAN (II): puls 
   25*2 BLU/YEL VSSOUT (UTGANGSSIGNAAL VAN SENSOR VOERTUIGSNELHEID) Verstuurt signaal voertuigsnelheidssensor Afhankelijk van voertuigsnelheid: pulsen 
26 BLU NEP (MOTORTOERENTALPULS) Geeft motortoerentalpuls Met draaiende motor: pulsen 
27 RED/BLU IMOCD (STARTBLOKKERINGSCODE) Detecteert startblokkeringssignaal  
28 BLU/WHT ACS (AIRCOSCHAKELAARSIGNAAL) Detecteert aircoschakelaarsignaal Met aircoschakelaar AAN: 0 V
Met aircoschakelaar UIT: ongeveer 5 V 
29 BRN SCS (DIAGNOSESIGNAAL) Detecteert het diagnosesignaal Met het servicecontrolesignaal kortgesloten met de PGM-tester: ongeveer 0 V
Met het servicecontrolesignaal geopend: ongeveer 5 V accuspanning 
31 GRN/ORN MIL (DEFECTSIGNALERINGSLAMPJE) Stuurt MIL Met MIL AAN: ongeveer 0 V
Met MIL UIT: accuspanning 

*1: M/T
*2: A/T

Loop van de vacuümslang


 

Onderdrukverdeling


 

PGM-FI-systeem


Het PGM-FI-systeem (Programmed Fuel Injection) is een sequentieel multipoint brandstofinjectiesysteem.

Relais van aircocompressorkoppeling

Als de Motorregelingsmodule (ECM)/Aandrijflijnregeling (PCM) een verzoek om koeling ontvangt van het aircosysteem, vertraagt het de bekrachtiging van de compressor en wordt het mengsel verrijkt om een soepele overgang naar de aircomodus te verzekeren.

Dynamoregeling

De dynamo stuurt tijdens het laden een signaal naar de ECM/PCM.

Barometerdruk (BARO) sensor

De BARO-sensor bevindt zich in de ECM. De sensor zet de atmosferische druk om in een spanningssignaal dat gebruikt wordt bij de aanpassing van de basisduur van de brandstofinjectie.

Krukasstand (CKP) sensor

De CKP-sensor bepaalt het motortoerental en stelt het ontstekingstijdstip en het tijdstip van de brandstofinjectie in elke cilinder vast.

 

Motorkoelvloeistoftemperatuur (ECT) sensor

De ECT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de motorkoelvloeistof toeneemt.

 

i-DSI-systeem

De ECM/PCM regelt de afstand in ontstekingsfase tussen de voorste en de achterste bougies in overeenstemming met het motortoerental en de onderdruk in het inlaatspruitstuk.

 

Regeling ontstekingstijdstip

In het geheugen van de ECM/PCM zijn gegevens opgeslagen voor het basisontstekingstijdstip bij verschillende motortoerentallen en absolute luchtdruk inlaatspruitstuk. Ook wordt de ontstekingsverstelling aangepast op basis van de temperatuur van de motorkoelvloeistof.

Tijdstip en duur van injectie

De ECM/PCM heeft in zijn geheugen de basisduur van de brandstofinjectie bij verschillende motortoerentallen en drukken in het inlaatspruitstuk. De uiteindelijke duur van de brandstofinjectie wordt verkregen door de basisduur uit het geheugen te combineren met de signalen van een aantal sensoren.
Door bewaking van de langetermijnbrandstofafstelling detecteert de ECM/PCM langetermijnstoringen in de werking van het brandstofsysteem. Er wordt dan een storingscode (DTC) geactiveerd.

Sensor voor inlaatluchttemperatuur (IAT)

De IAT-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand (thermistor). De weerstand van de thermistor neemt af naarmate de temperatuur van de inlaatlucht toeneemt.

 

Pingelsensor

De pingelregeling stelt de ontstekingstijd zodanig bij dat pingelen tot een minimum wordt beperkt.

 


Sensor voor absolute luchtdruk in inlaatspruitstuk (MAP)

De MAP-sensor zet de waarden van de absolute druk in het inlaatspruitstuk om in elektrische signalen voor de ECM/PCM.

 

Primaire verwarmde zuurstofsensor (primaire HO2S)

De primaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen en zendt vervolgens signalen naar de ECM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De primaire zuurstofsensor (HO2S) is ingebouwd in het uitlaatspruitstuk. Doordat de lucht/brandstofverhouding via primaire HO2S en secundaire HO2S wordt afgeregeld, kan de achteruitgang van de primaire HO2S worden gecontroleerd volgens de terugkoppelingsperiode. Als de terugkoppelingsperiode een bepaalde waarde tijdens het rijden overschrijdt, wordt er vanuit gegaan dat de sensor is ontregeld en stelt de ECM/PCM een DTC in.

 

Secundaire verwarmde zuurstofsensor (secundaire HO2S)

De secundaire HO2S meet de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen achter de driewegkatalysator (TWC) en zendt vervolgens signalen naar de ECM die daarop de duur van de brandstofinjectie overeenkomstig aanpast. Om het uitgaande signaal te stabiliseren heeft de sensor een inwendig verwarmingselement. De secundaire HO2S is gemonteerd in de driewegkatalysator.

 

Startregeling

Als de motor wordt gestart, voorziet de ECM/PCM de motor van een rijk mengsel door de duur van de brandstofinjectie te verlengen.

Sensor van gasklepstand (TP)

De TP-sensor is een potentiometer die is verbonden met de as van de gasklep. Als de gasklepstand verandert, varieert de sensor de signaalspanning naar de ECM/PCM. De TP-sensor kan niet los van het gasklephuis worden vervangen.

 

Sensor Bovenste Dode Punt (TDC)

De TDC-sensor detecteert de stand van cilinder 1 als referentiewaarde voor de volgorde van de brandstofinspuiting voor elke cilinder.

 

Voertuigsnelheidsensor (VSS) (Alleen handgeschakeld model)

De VSS wordt gestuurd door het differentieel. Hij geeft een pulssignaal af op basis van een voedingsspanning van 5 volt. Het aantal pulsen per minuut neemt toe of af volgens de rijsnelheid van de auto.

Stationair regelsysteem


Als de motor koud is, de aircocompressor aan staat, de versnellingsbak in een versnellingsstand staat, het rempedaal is ingetrapt, de stuurbekrachtigingbelasting hoog is of de dynamo bezig is met opladen, regelt de ECM/PCM de stroom naar de IAC-klep om zo het juiste stationaire toerental te handhaven. Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

Rempedaalstandschakelaar

De rempedaalstandschakelaar zendt een signaal naar de ECM/PCM als het rempedaal wordt ingetrapt.

Klep voor luchtregeling bij stationair toerental (IAC)

Om het juiste stationaire toerental te handhaven, verandert de IAC-klep de hoeveelheid omlooplucht, (de lucht die niet door het gasklephuis gaat) daarbij reagerend op een elektrisch signaal van de ECM/PCM.

 

Brandstoftoevoersysteem


Regeling afsluiting brandstof

Tijdens decelereren met gesloten gasklep, wordt de elektrische stroom naar de verstuivers afgesloten om het brandstofverbruik te verbeteren bij toerentallen hoger dan 900 omw/min (min-1). De brandstofinjectie wordt ook onderbroken als het motortoerental boven 6.200 omw/min (min-1) komt, ongeacht de stand van de gasklep, om zo de motor te beschermen tegen overmatig hoge toerentallen. Als het voertuig is gestopt, sluit de PCM de brandstof af bij motortoerentallen boven 6.200 omw/min (min-1).

Brandstofpompregeling

Als het contact wordt aangezet, schakelt de ECM/PCM het PGM-FI-hoofdrelais aan massa, die dan de brandstofpomp gedurende twee seconden bekrachtigt zodat het brandstofsysteem op druk wordt gebracht. Met de motor draaiend, schakelt de ECM/PCM het PGM-FI hoofdrelais aan de massa en bekrachtigt daarmee de brandstofpomp. Als de motor niet draait en de contactschakelaar AAN staat (PGM-FI), ontkoppelt de ECM/PCM het PGM-FI-hoofdrelais van massa, waardoor de stroomtoevoer naar de brandstofpomp wordt onderbroken.

PGM-FI hoofdrelais 1 en 2

Het PGM-FI relais bestaat uit twee afzonderlijke relais. Hoofdrelais 1 van de PGM-FI wordt van voeding voorzien als de contactschakelaar AAN (II) is; deze levert accuspanning aan de ECM/PCM, stroom aan de injectoren en stroom aan hoofdrelais 2 van de PGM-FI. Hoofdrelais 2 van de PGM-FI wordt gevoed zodat de brandstofpomp 2 seconden spanning krijgt als de contactschakelaar wordt AAN (II) gezet en als de motor loopt.

Luchtinlaatsysteem


Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

Gasklephuis

Het gasklephuis is van het enkelvoudige vlakstroomtype. Het onderste gedeelte van de IAC-klep wordt verwarmd door motorkoelvloeistof die vanaf de cilinderkop wordt aangevoerd.

 

Katalysatorsysteem


Driewegkatalysator (TWC)

De driewegkatalysator zet koolwaterstoffen (HC), koolmonoxide (CO) en stikstofoxiden (NOx) in de uitlaatgassen om in kooldioxide (CO2), stikstof (N2) en waterdamp.

 

Systeem voor positieve carterventilatie (PCV)


De PCV-klep voorkomt dat cartergassen vrijkomen in de atmosfeer door ze in het inlaatspruitstuk uit te blazen.

 

Benzinedampafzuigsysteem (EVAP)


Raadpleeg het elektrisch schema om de functionele indeling van het systeem te bekijken.

EVAP-regelbus

In de EVAP-filterbus wordt tijdelijk benzinedamp opgeslagen vanuit de brandstoftank, totdat deze kan worden aangezogen naar het verbrandingsproces in de motor (raadpleeg het schema van het systeem om de functionele opzet van het systeem te bekijken).

EVAP-ontluchtingsklep

Zodra de koelvloeistof daalt tot onder 70°C, schakelt de ECM/PCM de EVAP-filterbus ontluchtingsklep uit, die de onderdrukleiding naar de EVAP-filterbus afsluit.

Elektrisch schema regeling stationair toerental


Het stationaire toerental van de motor wordt geregeld door de luchtregelklep stationair toerental (IAC-klep).

 

Schema inlaatluchtsysteem


Dit systeem voorziet diverse motorfuncties van lucht. Een resonantiekamer in de inlaataanzuigbuis zorgt voor extra geluiddemping als lucht in het systeem wordt gezogen.

 

Schema EGR-systeem (uitlaatgasrecirculatie)


Het EGR systeem reduceert emissie van stikstofoxiden (NOx) door uitlaatgas te recirculeren via de EGR-klep en het inlaatspruitstuk in de verbrandingskamers. Het ECM/PCM geheugen bevat de ideale stand van de EGR-klep voor diverse bedrijfscondities.

De EGR-klepstandsensor detecteert de mate van opening van de EGR-klep en stuurt deze informatie naar de ECM/PCM. De ECM/PCM vergelijkt deze dan met de ideale opening in haar geheugen (op basis van signalen verzonden naar andere sensoren). Als er een verschil is tussen deze twee, sluit de ECM/PCM de stroom naar de EGR-klep af.

 

Schema benzinedampafzuigsysteem (EVAP-systeem)


Het regelsysteem voor benzinedampafvoer zorgt dat er zo min mogelijk benzinedamp ontsnapt naar de buitenlucht. De dampen in de benzinetank worden tijdelijk opgeslagen in de EVAP-filterbus tot ze vanuit de bus kunnen worden aangezogen naar de motor en daar worden verbrand.